Ken je die dagen waarop je al moe bent voordat je aan je fietstocht bent begonnen? Je kijkt naar buiten en ziet het meteen: windkracht ‘teveel’ en ook nog eens uit de verkeerde richting. De omstandigheden waarbij je al na een paar kilometer begint te onderhandelen met jezelf: ‘misschien …’ en vul de rest zelf maar in.

Terwijl ik laatst met verzuurde benen met zo’n tocht bezig was, dacht ik ineens weer aan degene die een behandeling tegen kanker ondergaat. Iedereen kent wel iemand in zijn omgeving. Ik kom ze in elk geval op mijn werk dagelijks tegen. En hoewel de vergelijking behoorlijk krom is, lijkt dat volgens mij op fietsen met tegenwind, maar dan eindeloos veel tegenwind.

Er is wel een wezenlijk verschil: ik koos er die bewuste dag zelf voor om op de fiets te stappen. Niemand kiest voor kanker. Niet de fitte vijftiger die drie keer per week sport. Ook niet die jonge moeder die altijd gezond eet. Niet de man die het eindelijk wat rustiger aan wilde gaan doen. En zelfs niet degene die zelf ook wel weet dat hij altijd ongezond heeft geleefd. Alsof kanker een soort rechtvaardig puntensysteem zou volgen. Dat doet het namelijk niet.

Dat doet tegenwind trouwens ook niet. Soms heb je hem gewoon vol in je gezicht en dan ook nog eens de hele weg. En bij zo’n tocht denk ik in het begin nog te kunnen winnen van de omstandigheden. Gewoon een kwestie van harder trappen. Daarna word ik boos en ga me verzetten. Totdat ik ontdek dat ik de wind nooit zal verslaan. Ik kan hooguit proberen ermee om te gaan.
Misschien dat iemand die kanker heeft dat een beetje herkent. Eerst is er ongeloof en misschien wel ontkenning. Daarna strijdlust. Uiteindelijk slaat de vermoeidheid toe. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Alles kost energie: een simpel gesprek, een trap oplopen, een nacht doorslapen of een uitslag afwachten.

Op de fiets is dat het moment waarop een viaduct of een dijkje plotseling voelt als een Alpencol. Het moment waarop je benen verzuren van iets wat normaal nauwelijks moeite kost. Alleen weet ik óók: ik kan afstappen. Ik kan ergens koffie gaan drinken. Ik kan besluiten dat het mooi geweest is voor vandaag. Niemand die daar iets van vindt, behalve ik.
Mensen met kanker hebben die luxe niet. De behandeling gaat door. De volgende afspraak staat alweer gepland. De volgende kuur wacht. Tussendoor een ‘koffiepauze’ nemen is niet aan de orde. De consequenties zijn namelijk onomkeerbaar, net als de windrichting. En de omgeving vindt ook vaak dat opgeven geen optie is. Alsof veerkracht vanzelfsprekend is. Alleen overeind blijven is al een topprestatie.

Tegelijk zie ik bij heel veel mensen in ons Toon Hermans Huis iets bijzonders gebeuren. Niet groots en heldhaftig. Juist niet, maar wel een soort stille koppigheid. Ze blijven doortrappen. Soms hard, soms langzaam. Soms huilend of vloekend. Misschien wel gewoon omdat stoppen nóg moeilijker voelt. Misschien is dat wel echte moed. Niet onverschrokken zijn, maar doorgaan terwijl niemand je had kwalijk genomen als je was blijven liggen.

Aan het einde van een lange dag fietsen draai ik uiteindelijk het pad naar de achtertuin in waar de wind wegvalt. Waar het stil wordt. Waar ik merk hoeveel kracht die tegenwind uit me heeft gezogen. En telkens denk ik dan hetzelfde: Wat moet het ongelooflijk zwaar zijn als je weet dat morgen opnieuw zo’n dag wacht.