Ergens tussen Heerlen en de Mont Ventoux ligt een traject dat je op geen enkele routekaart terugvindt, of het nu een Michelin-kaart of Google Maps is. Dat traject heet voorbereiding.

In mijn hoofd is het allemaal prachtig. Een fietsreis van ongeveer 1.200 kilometer, van huis naar de Mont Ventoux. Tien dagen onderweg. Fietsen, kamperen, mooie wegen, nieuwe mensen ontmoeten en een verhaal vertellen. En uiteindelijk die Kale Berg waar ik al een tijdje naar uitkijk. Maar voordat het zover is, moet er nog van alles gebeuren.
En dat levert een merkwaardige combinatie op: voorpret én voorstress.

De voorpret begint natuurlijk al lang voordat je daadwerkelijk vertrekt. In mijn geval begon die al in februari. Met het bekijken van routes bijvoorbeeld. Nog een keer ‘even kijken’ op Komoot. Dat is altijd gevaarlijk, want ‘even kijken’ eindigt meestal in drie kwartier schuiven met lijntjes op een kaart. Dit weggetje lijkt leuk en die klim ook. Oh, en hier kan ik stukje van de Eurovelo 19 meepikken. Om uiteindelijk toch maar weer de oorspronkelijke route te pakken. Want die was eigenlijk ook gewoon goed.

Ook leuk: zoeken naar overnachtingsplekken. Een paar maanden geleden ontdekte ik het platform Welcome To My Garden. Gewoon kamperen bij iemand in de achtertuin speciaal voor mensen die wandelend of op de fiets onderweg zijn. Ik heb inmiddels zelf al de eerste kampeerder in de achtertuin gehad en hoop dat dit mijn karma gunstig heeft beïnvloed. Maar wat als mijn benen op een dag besluiten dat ze er geen zin in hebben? Heb ik dan na 98 kilometer ook een overnachtingsplek? Dan kan ik nog altijd het voorbeeld volgen van Merijn Ruis in zijn boek ‘Wat als we gewoon gaan?’

Waar vind ik een supermarkt om mijn broodnodige calorieën in te slaan? En is er in de buurt van de ‘finishplaats’ een restaurant? Of eindig ik straks met een zak chips en een blik bonen als avondeten? Dat is allemaal voorbereiding, maar het voelt niet als voorbereiding. Het voelt als voorpret en misschien zelfs alsof de fietstocht al begonnen is.

Ook het aanschaffen van de laatste spullen hoort bij de voorpret. Want voor een fietstocht van 1.200 kilometer heb je natuurlijk nog nét dat ene dingetje nodig waarvan je tot voor kort niet wist dat het bestond. Een ultralichte compacte kookset of dat tasje dat precies past op een plek op je fiets waarvan je niet wist dat die plek überhaupt bestond. Ik heb het bijna allemaal gekocht met het gevoel: dit gaat mijn tocht zoveel beter maken. Tot bij het uitpakken bleek: ‘oh… het is gewoon een tasje.’

Maar daar zit ook meteen de keerzijde: de voorstress wat betreft bagage. Ik ga met de gravelbike richting de Ventoux en wil zo min mogelijk meenemen. Niet omdat ik ineens een ultralight-fietser ben geworden die op een gram nauwkeurig leeft, maar vooral omdat ik na een paar dagen fietsen geen zin heb om iedere ochtend een halve inboedel op mijn fiets te laden. En elke kilo moet uiteindelijk toch de berg op en over.
Dus moet er gekozen worden. Wat heb ik écht nodig? En vooral: wat kan ik thuislaten zonder dat ik halverwege Frankrijk in een existentiële crisis beland? Lastig, want alles wat ik thuislaat, heb ik natuurlijk niet bij me als ik het nodig heb. En alles wat je meeneemt en uiteindelijk tóch niet gebruikt, moet je tien dagen lang meesjouwen en elke dag opnieuw voor jezelf goedpraten waarom het toch een goede beslissing was om het mee te nemen. En zo dreigt elk item onderwerp te worden van een kleine interne discussie. Heb ik dit nodig? Waarschijnlijk niet. Maar wat als…?

Dan zijn er ook nog de trainingen. Normaal stap ik op de fiets omdat ik ergens naartoe wil. Een mooie route, een klim, een terras, een bestemming waar koffie en appeltaart op me wachten. Maar in de voorbereiding op deze fietstocht verandert dat soms. Dan stap ik op de fiets met een ander doel. Niet omdat ik ergens naartoe wil. Niet omdat ik zin heb. Maar omdat er ‘nog even een lange rit moet gebeuren’.
En dat is toch anders. Een trainingsrit zonder duidelijk doel heeft iets merkwaardigs. Ik fiets door het landschap en probeer te genieten, maar eigenlijk zit ik in mijn hoofd. Ik kijk naar mijn navigatie en bereken dat ik echt nog 60 km moet fietsen vandaag. Het geeft een interne onrust waardoor ik me ergens onderweg afvraag waarom ik dit ook alweer zo’n goed idee vond. Wie heeft er ooit bedacht dat ‘even 1.200 kilometer fietsen’ een ontspannende hobby is?

De laatste paar weken ben ik mijn trainingstochten gaan rijden met bagage. Dat heeft twee grote voordelen. Ik kan in de eerste plaats al wennen aan het gewicht waarmee ik straks alle hoogtemeters moet overwinnen. Maar nog veel belangrijker: ik ga op een andere manier fietsen. Zodra de tassen aan mijn fiets hangen is er geen ruimte meer voor mijn ‘fietsego’. Waar ik tijdens een reguliere zondagse fietstocht nog wel eens de neiging heb me te laten verleiden om mijn PR op de ene Strava-segment te willen vermorzelen, heb ik nu vooral aandacht voor het doseren van mijn energie. Het brengt het genieten weer terug.

En zo begint de benefiet(s)tocht naar de Mont Ventoux niet als ik op zaterdag 22 augustus het tuinhek achter mijn achterwiel dichttrek. Hij is al een half jaar geleden begonnen. Op het moment dat ik voor het eerst de route bekeek. En elke keer bij het zoeken naar een camping of supermarkt langs die route. Als ik mijn fiets schoonmaak en denk: ‘dit is eigenlijk een soort therapie, maar dan met ontvetter.’ En zelfs op het moment dat ik een shirt uit mijn fietstas haal omdat ik besluit dat ik dat toch echt niet nodig heb. Om het vijf minuten later toch weer terug te stoppen ‘voor de zekerheid’.

Nog een paar dagen en dan is het zover. Dan zijn de routes niet meer die virtuele lijnen op een scherm, maar echte wegen waar ik daadwerkelijk overheen fiets. Met gaten, wind tegen en hopelijk af en toe een goed terras. Dan hoef ik niet meer te bedenken welke spullen mee moeten, maar zitten alles wat ik nodig heb in mijn tassen, of niet. Dan zijn de trainingskilometers echte kilometers met zweet, wind tegen en vooral uitzicht en regelmatig dat moment waarop ik denk: ‘ja, dit is dus waarom ik dit doe.’